Stukadoors-begrippen — alle stuctermen uitgelegd

Stucwerk heeft een eigen vakjargon. Hieronder leggen wij de belangrijkste begrippen uit zodat u beter begrijpt waarover wij praten in een offerte of advies.

Airless spuitwerk

Het machinaal aanbrengen van pleisterwerk met een hogedrukspuit zonder lucht, voor een gelijkmatige laag op grote oppervlakken.

Behangklaar

Afwerkniveau waarbij de wand vlak en strak is, geschikt om direct te behangen — minder strak dan schilderklaar.

Betoncire

Dunne stuclaag (1-3 mm) die een naadloze betonlook geeft. Geschikt voor wanden, vloeren, badkamers en zelfs werkbladen.

Cementstuc

Stuclaag op cementbasis, vaak gebruikt voor vochtige ruimtes en buitenmuren omdat het waterbestendig is.

Dunpleister

Een dun gipsstuc (~1-3 mm) voor strak schilderklaar afwerken van nieuwbouwwanden.

Glad pleisterwerk

Klassiek strakke afwerking, geschikt om te schilderen of behangen. De meest voorkomende afwerking in woningen.

Granolithisch

Een harde, slijtvaste afwerking met steenslag, voornamelijk gebruikt voor industriële vloeren.

Gipsplaat

Plaatmateriaal van gips dat als ondergrond dient voor stucwerk — veel toegepast in nieuwbouw.

Kalkpleister

Klassiek pleisterwerk op basis van kalk. Ademend, vochtregulerend en geschikt voor monumenten.

Leemstuc

Natuurlijk pleisterwerk van leem, met een warme uitstraling. Reguleert vocht en is geschikt voor allergie-vriendelijke woningen.

Marmerpleister

Decoratieve techniek waarbij meerdere lagen pleister een marmerlook creëren. Ook bekend als stucco veneziano.

Plafondrozet

Decoratief gipsornament rond een plafondlamp, vaak in monumentale en jaren-30 woningen.

Putzen

Grof-korrelig structuurpleister, ook wel spachtelputz genoemd. Robuust en onderhoudsarm.

Q1 t/m Q4

Nederlandse afwerkniveaus voor pleisterwerk, van Q1 (basis) tot Q4 (zeer strak, strijklicht-bestand).

Raapwerk

Een eerste, ruwe pleisterlaag die de muur vlak maakt voordat de fijne afwerklaag wordt aangebracht.

Renovatiestucwerk

Stucwerk op bestaande, vaak oneffen of beschadigde ondergronden — meestal arbeidsintensiever dan nieuwbouwstuc.

Schimmelwerend stucwerk

Speciale stucsoorten met antischimmel-toevoegingen, vooral toegepast in badkamers en kelders.

Schuurpleister

Stuclaag met fijne korrel die een licht structuurpatroon krijgt, geschikt om te overschilderen.

Sierlijstwerk

Decoratief lijstwerk van gips voor plafonds en wanden, in gerestaureerde of stijlvol nieuwbouw.

Sierpleister

Decoratieve afwerking met structuur of effect — bijv. spachtelputz, marmerpleister, leemstuc.

Spachtelputz

Korrelig structuurpleister met een ruwe textuur, vaak in trappenhuizen en gangen vanwege de robuustheid.

Stucadoor

Alternatieve schrijfwijze van 'stukadoor'. Beide vormen worden in Nederland gebruikt.

Stuc-en-zet

Combinatie van pleisteren en plaatsen van decoratieve elementen, typisch voor klassieke stijlen.

Tadelakt

Marokkaanse waterdichte kalkstucsoort, geschikt voor badkamers. Glanzend en zacht in uitstraling.

Voorstrijkmiddel

Een primer die op de ondergrond wordt aangebracht voor betere hechting van het pleisterwerk.

Wapeningsweefsel

Fijn glasweefsel dat in een verse pleisterlaag wordt gedrukt om scheuren te voorkomen.

Witpleister

Fijne, witte afwerklaag (ook 'stuc-en-witten') voor schilderklare wanden.

Vrijblijvende prijsopgave?

Reactie binnen 24 uur. Wij komen vrijblijvend langs voor een opname.

Gratis offerte aanvragen